Door: Jac Maurer
In 1898 (dus ruim een eeuw geleden) is een automobiel in Limburg nog een overwegend onbekend fenomeen. In de hele provincie heeft slechts een enkeling zo’n duur voertuig kunnen aanschaffen, vooral om er avontuurlijke tochtjes mee te ondernemen.
Ter promotie van de verkoop van dergelijke zonderlinge automobielen, heeft in 1898 een comité een rally georganiseerd van Parijs naar Amsterdam, en retour. Tijdens de heenreis passeert de stoet op 7 juli 1898 de grens bij Eijsden om dezelfde dag bij Mook onze provincie weer te verlaten. Op 11 juli wordt de terugreis verreden, nu uiteraard van noord naar zuid. Er doen enkele tientallen voertuigen mee, de meeste aangedreven door petroleum, maar ook enkele met stoomtractie.
Ook in die tijd is de organisatie aan landelijke en provinciale vergunningen gebonden met allerlei voorwaarden, die door inspecteurs ter plekke gecontroleerd zouden worden. Deze inspecteurs doen daarna verslag van hun ervaringen.
Zo beklaagt Ingenieur Marinkelke (beheerder rijksweg Tegelen-Mook) zich in zijn verslag van de wedstrijd direct over het feit dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om de heenreis (naar Nijmegen) met een van de automobielen mee te kunnen maken. Verder heeft het hem veel moeite gekost om wel een plek te krijgen in een auto op de terugreis. Hij kan meerijden in een Panhard & Levassor, de bedoeling is tot Roermond, maar hij komt door bandenpech niet verder dan Tegelen. Het bevreemdt hem zeer dat er geen reserveband aanwezig is en dat daardoor de auto niet meer verder deel kan nemen aan de wedstrijd. De auto wordt op de trein gezet, richting Maastricht en verder naar Parijs. In zijn verslag is Marinkelke wel lovend over het automobiel zelf en over de bestuurder die zich keurig houdt aan de gestelde voorwaarden. Op sommige stukken halen ze een snelheid van 50 km/u. Hij meldt tevens dat zich geen ongelukken hebben voorgedaan en dat het gewone verkeer op de weg geen belemmeringen heeft ondervonden, mogelijk ook door de goede waarschuwingen vooraf en de welwillendheid van de bevolking. Hij ziet een grote toekomst voor het automobiel weggelegd. Maar wedstrijden als deze acht hij verder uit den boze; dat de voorwaarden van de vergunning vaak overschreden zijn, is hem duidelijk.
Op zijn beurt neemt de Commissaris de conclusies van zijn ingenieurs over in zijn schrijven aan de minister. Hij besluit met: “Het is toch bezwaarlijk te verantwoorden dat, voor het genot of het voordeel van enkelen, het openbaar verkeer over de groote wegen in een zo uitgestrekt deel des Rijks aan zoo ernstige gevaren worden blootgesteld en zoowel de ambtenaren van de Rijks- als van de Gemeentepolitie in grooten getalen gedurende meerdere dagen geheel aan hunnen gewonen werkkring onttrokken worden”.
Hij heeft niet het flauwste vermoeden dat de auto uiteindelijk een breed geaccepteerd fenomeen wordt.